Zijn laatste woorden: “Eigenlijk best gezellig hier.”

Onderweg in de auto besluit ik: We gaan er niet heen omdat hij gaat sterven. Nee. We rijden er heen omdat hij nu nog leeft.

Het is zaterdag vijf februari. Tegen kwart over tien ‘s morgens rijden we zonder de kinderen naar Tilburg. Die hoeven hier niet bij te zijn. Rond half één komt de huisarts. Dat is een aantal dagen geleden zo afgesproken. Een paar dagen geleden, op 2 februari, belde mijn vader om een datum te bespreken. Ik was op dat moment in het huis van mijn schoonouders. Beneden was het druk met familie. Mijn schoonvader was die dag overleden. Bizar om daar op dat moment de dood van mijn eigen vader te plannen.

Het moet vandaag gebeuren. Dat komt door mij. Door mij leeft mijn vader een paar dagen korter. Morgen kan niet. Op een zondag willen mijn vader en Marianne de dokter niet tot last zijn. Maandag kan ook niet. Dan is de crematie van mijn schoonvader. Uitgesloten dat mijn vader ons laat kiezen tussen een dode vader en een bijna dode vader. En dinsdag kan ook al niet, dan ben ik jarig. Rekken tot woensdag is echt teveel van het goede. “Dat,” zegt mijn vader; “duurt te lang, houd ik niet meer vol.” Een duivels dilemma. Ik wil niet de rest van mijn leven op mijn verjaardag verdrietig zijn. Dus heb ik gevraagd daar rekening mee te houden. En aan die wens geeft hij gehoor. Hij haalt de datum van zijn dood een paar dagen naar voren. Krankzinnig natuurlijk, om zo je eigen dood te plannen. Net zo bizar als het telefoontje waarin hij vroeg of ik erbij wil zijn. Ik schrok, maar vreemd genoeg voelde ik mij ook vereerd en geliefd. Ik hoef er niet perse bij te zijn. Hij hoeft dat niet voor mij te doen. Maar ik wil er graag voor hem zijn.

We zijn er. Hij wil dat we er wat eerder zijn. Zo heeft hij nog wat tijd met ons. Ik zie nog geen bekende auto’s staan, behalve die van mijn vader en Marianne. Die staat gewoon op zijn eigen plek, alsof dit een heel gewone dag is. Marianne doet open en reddert in het rond. Toch een beetje gek, we hebben thuis opwindpoppetjes die minder snel afspelen als hoe Marianne nu doet. We blijken inderdaad de eersten te zijn. Mijn vader ligt in de voorkamer in een ziekenhuisbed. Die staat er nog veel te kort om er aan gewend te zijn. Naast hem op het tafeltje staat een kopje thee. Hij is wakker. Hij ziet er vermoeid en grauw uit, maar verder is hij bijzonder kalm en alert. Wat een held, hij is zelfs een beetje vrolijk, alhoewel zijn gewoonlijke pretlichtjes in zijn ogen niet schitteren. We hebben tekeningen bij ons van Noah en Bram. Plus nog een mooie foto van ze. Zo zijn ze er toch een beetje bij. De tekeningen en de foto krijgen een mooi plaatsje in het zicht.

Mijn vader condoleert ons met het verlies van Patrick zijn vader. Hij vindt het rot dat hij slechts enkele dagen later gaat en ons daarmee extra verdriet doet. Hij voelt zich schuldig over zijn slechte timing. Bijzonder, dat hij op dit moment daarmee bezig is en met ons meeleeft. Ik wil vragen of hij bang is, maar ik zie berusting in zijn gezicht. “Je kijkt er naar uit hè?” vraag ik hem. En ja, dat doet hij. Hij heeft genoeg pijn gehad en hij is zo verschrikkelijk moe. Ik weet niet zoveel te zeggen. Alles is eigenlijk al gezegd. Hoe wrang ook, weten dat iemand snel zal sterven geeft je de kans elkaar te vertellen wat je op je hart hebt. Ik ben blij dat ik die kans heb gekregen. “Papa,” zeg ik; “ ik ben er vandaag voor jou. Ik ga heel erg mijn best doen niet te huilen. Je hoeft mij nu niet te troosten. Dat vind ik niet kunnen, ik ben er hier voor jou.” In films weten de personages altijd exact wat ze moeten zeggen. Tekstschrijvers vangen de perfecte woorden die zo’n afscheid niet alleen triest maken, maar ook een bepaalde schoonheid geven. Gek genoeg vind ik dat we het aardig goed doen zo. Mijn vader heeft de juiste woorden gevonden. Hij zegt: “Je hebt een bijzondere en eigen kijk op de wereld. Heel anders dan die van de meeste mensen. Dat maakt je een bijzonder mens, met een goed inzicht in het leven.” Ik besef ineens, zo ziet mijn vader mij. Wat een mooi cadeau.

Ondertussen druppelen er familieleden binnen. Een voor een gaan zij op audiëntie bij mijn vader. Van ieder neemt hij afscheid. De familie zit bijeen gepropt aan de eetkamertafel. Het is maar een klein, oud arbeiderswoninkje. Een kamer en suite met schuifdeuren, die nu zijn dichtgeschoven. Dat biedt wat privacy bij het afscheid nemen. Één kamer, twee wachtruimtes. In de voorkamer wacht mijn vader op zijn naderende dood. In de achterkamer wachten wij om afscheid van hem te nemen. De gezichten om mij heen ken ik al vanaf mijn geboorte. Toch zien we elkaar alleen tijdens familiegelegenheden. Zoals altijd neem ik mij voor een keer bij ze langs te gaan. Het zijn fijne mensen. En terwijl we allemaal een beetje ongemakkelijk de tijd uitzitten, ontstaat er toch een bepaalde gezelligheid. We praten over dagelijkse dingen en soms wordt er een grap gemaakt. Er wordt ingetogen gelachen.

En dan is de huisarts er. Het is een zachtaardige, vriendelijke man. Dit is de eerste keer dat hij een patiënt helpt te sterven. Hij mag mijn vader erg graag. Hoewel het heel dubbel klinkt, draagt hij op deze manier graag bij aan mijn vaders wens. Liever zou hij hem genezen, maar dat kan nou eenmaal niet. De dood is hoe dan ook onvermijdelijk. Ondertussen is iedereen een laatste keer bij mijn vader geweest. Zachtjes grappen Patrick en ik over de arts. “Zullen we zo heel hard, Moordenaar, Moordenaar, roepen?“ Sorry, we hebben allebei een beetje dezelfde zieke humor. Die steekt vooral de kop op in dit soort ongemakkelijke situaties. Ik ben zenuwachtig. Ineens gaan de schuifdeuren open. Mijn vader staat in de deuropening en spreekt de gedenkwaardige woorden: “Ehhh, mag ik er even langs, ik moet nog even plassen.” Met zijn morfinekastje in de hand schuifelt hij langs iedereen waartegen hij nèt zijn laatste woorden van afscheid heeft gezegd. En ondanks de zwaarte van alles, bedenk ik mij. Dit is toch gewoon heel erg grappig? Weer terug van de wc blijft mijn vader nog even midden tussen ons in staan. Hij neemt ons in zich op. Ik zie een glimp van zijn pretlichtjes en er verschijnt een ondeugend lachje rond zijn mond. “Eigenlijk best gezellig hier!” zegt hij. Dan schuifelt hij glimlachend zijn noodlot tegemoet. De schuifdeuren sluiten achter hem. Een kwartier later is hij dood. Zijn theekopje staat nog naast hem, half leeg gedronken. Zoals hij altijd halfleeg gedronken kopjes achterliet. Ik kijk naar het kopje en besef, mijn vader was hier.  

Zijn legendarische laatste woorden geven precies weer wie hij was. Midden in het leven, geïnteresseerd en betrokken. Even optimistisch als  charismatisch. En altijd de lachers op zijn hand.  Dank je papa. We leerden elkaar net een beetje kennen. Ik zal je missen. Want ook jij bent bijzonder.

4 gedachten over “Zijn laatste woorden: “Eigenlijk best gezellig hier.”

  1. Hoi Rebecca,
    Wat heb je dit mooi verwoord. Ik kijk met zoveel liefde terug op oom Rob. De gezelligheid, de humor en zijn interesse. Tjonge, wat mis ik die man.

  2. Heel mooi en verduidelijkend stukje. Hoe de datum precies bepaald was wist ik niet eens. Is mij nu pas duidelijk.
    Bijzonder om zo te mogen mee kijken vanuit jouw ogen en beleving van die zeer bewogen dag en moment.
    Ik herinner het mij als de dag van gisteren. Zelfs de geuren, e.d.
    Ik wist het nog minder dan zo’n 20 uren van te voren, dus moest ik in zeer korte tijd nog van alles regelen om op zo’n korte tijd op een doordeweekse dag er op tijd te zijn, wat best lastig was en is met het O.V. en vroege tijdstip.
    Gelukkig kon ik binnen enkele uren voor diezelfde avond nog een overnachting regelen bij een Cappucijnenklooster vlakbij mijn vader’s & Marianne’s huis om zo nog op tijd te komen zonder torenhoge treinreiskosten die gehandhaafd worden tijdens de spits.
    Dank je, Rebecca, voor jouw verhaal en het delen ervan ! 💞💕

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.