Staarwedstrijdje

Ik begin al wazig te zien. Mijn ogen branden en tranen. Ik zit al op acht minuten en drieënveertig seconden. Ik heb nog nooit een staarwedstrijdje van je verloren. Maar jij staart nu zonder iets te zien. Jouw ogen zijn nog steeds open en tranen helemaal niet. Ze zijn niet eens een beetje rood. Je ogen zijn stil, bewegingsloos, zoals ook de rest van je gezicht. Je hele lichaam stil. Je bent een schilderij. 

Ik strek mijn arm naar je uit. Je voelt vreemd. Ik strijk met mijn hand over je oogleden en sluit je ogen. Net zoals in de film. Bijna dan. Ik moet veel harder drukken en één ooglid hangt nu scheef. In de film lijkt dat heel makkelijk te gaan. Mijn opengesperde ogen staan in brand. Ik staar naar jouw gesloten oogleden. Ik knipper mijn tranen weg.  

Ik heb gewonnen. 

Ja ik wil.

Ik kijk naar zijn mond. Wat doet hij hier? Zijn lippen bewegen en zijn tanden glinsteren nog net zo wit als in mijn herinnering. Woorden stromen over die volmaakt gevormde lippen. Vroeger wilde ik niets liever dan ze kussen. Vroeger. Maar dat was 15 jaar geleden…

“Weet je wat? Dit was een slecht idee. Vergeet dat ik hier ben geweest. Ik sta hier niet. Ik heb je niet zojuist gevraagd vanavond met mij te trouwen.” En terwijl hij dat zegt, lijkt hij bijna op een gewone man. Zijn gebruikelijke, onuitstaanbare zelfvoldaanheid hapert een beetje.  Nog lang niet voldoende, vind ik. Wat mij betreft is het pas een hele verbetering wanneer hij als een rokend hoopje kleren op de grond ligt. Zoals in sprookjes met de heks gebeurt. Of in the Wizard of Oz.

Ik knipper nog een keer met mijn ogen en zoek mijn stem. Bij gebrek aan geluid steek ik mijn hand naar hem uit en weerhoud hem om zich van mij weg te draaien. Een klein stemmetje in mijn hoofd roept wraakzuchtig ‘Dit is mijn kans! IK VERPULVER HEM!”

“Ach,” zeg ik, “ik had vanavond toch al weinig te doen. Ik doe het. Kom binnen, dan praten we erover. Vijftien jaar is een lange tijd om in een middagje te overbruggen. Maar als we vanavond  gaan trouwen, laten we dan beginnen met…” Bij toverslag verschijnt daar die misselijkmakende  zelfvoldane grijns op het gezicht van mijn kersverse verloofde. Die walgelijke ‘I’m to sexy for my body’ blik. De reden waarom ik zeker vier jaar lang anti-depressiva moest slikken en zeker zes jaar lang intensieve therapie heb genoten. Waarvan twee jaar intern.  Nog steeds word ik in dromen opgejaagd door die onnatuurlijke blikkerende witte tanden en die leegte in zijn blauwe ogen. Ik kan nog steeds niet naar Alice in wonderland kijken omdat die grijnskat zulke angstaanjagende vergelijkingen vertoont met die glimgrijns van hem. Hell! Uit de speakers van mijn buurjongen dreunt ineens een oorverdovend “Tonight I’m Fucking you!!” Wie fuckt hier wie? Denk ik gealarmeerd bij mijzelf.  

Ik onderdruk de impuls om de deur voor zijn neus dicht te slaan. In mijn hoofd flits er een fantasie voorbij waarin ik wèl de deur dichtsla. Maar pas nadat ik eerst zijn neus breek met de pot appelmoes die ik nog in mijn hand heb.

Het stemmetje in mijn hoofd commandeert. “Focus meid, Focus! Je laat hem nu niet gaan.” Ik herpak mijzelf en laat mijn ‘aanstaande’ binnen. “Koffie, thee, vieze boekjes?” vraag ik hem om een grapje te maken. Hij bukt en pakt een brief van de grond. Hij houdt hem voor mijn gezicht. “Zozo, post van het CJIB? Ben jij zo’n snelheidsduivel?” “Ach,”antwoord ik:”Ik schijn wat moeite te hebben met gezag. Iets met een autoritaire vader en trauma’s tijdens de jeugd is mij ooit uitgelegd. En wat is jouw excuus om na vijftien jaar aan te bellen met een huwelijksaanzoek? In zijn gezicht zie ik ineens een spiertje trekken. Zie ik nou iets van ongemak? Het is maar heel kort en het zenuwtrekje wordt direct weggewerkt door die blikkerend witte grijns. Er loopt een rilling van afschuw over mijn ruggengraat. Hij zegt: “Ik zag je op televisie. Je deed het goed, dat interview. Ik ben meteen naar de boekwinkel gegaan om jouw gedichtenbundel te kopen. Dat moet het eerste boek zijn dat ik ooit voor mijzelf heb gekocht. Toen herkende ik ineens dat vogel gedicht. Ik euhhh.” En daar viel hij stil. Datzelfde spiertje van net begint weer te trillen.

“Oh,” stamel ik. “Dat vogelgedicht. Ja… Wist je dat nog?” Ik voel de in jaren met moeite opgebouwde zelfverzekerdheid afbrokkelen als een zandkasteel bij opkomende vloed. Ik voel het zeewater stijgen van mijn enkels naar mijn knieën. Hij kijkt mij aan en begint dan met dichte ogen mijn gedicht voor te dragen. Het gedicht dat ik vijftien jaar geleden voor hem geschreven heb. Woordelijk. Het gedicht dat ik toen aan hem heb voorgedragen. Toen ik dacht dat wij alleen waren. Toen hij mij liet geloven dat wij alleen waren. Toen. Dat moment dat de wereld mijn vertrouwen verloor. En ik de liefde in haar ware verschijning zag. Namelijk als een onbetrouwbare, wispelturige feeks die haar vermaak zoekt in het onderuit trekken van romantische domme dozen, zoals ik. Dat moment waarop dat kleine beetje zelfvertrouwen van mij hardhandig uit mijn geest werd gerukt. Dat moment dat de hele klas en nog een heleboel meer schoolgenoten als  waanzinnig geworden demonen om mij heen stonden te joelen. Hysterisch gelach. Mij belachelijk makend. Gescheld. Ik hoor stukjes uit mijn eigen gedicht uit hun monden. Nog meer hysterisch gelach. Esther geeft mij een duw. Ze duwt mij naar hem. Terwijl ik struikel kijk ik omhoog en zoek iets van steun, troost of medeleven in zijn ogen. Ik zie alleen zijn meedogenloze wit blikkerende grijns. Zijn helderblauwe ogen kijken mij spottend aan. Zijn handen in zijn zakken. Ik besef op dat moment dat hij mij niet alleen als een baksteen laat vallen, maar dat hij mij op deze manier in de val heeft gelokt. Dit was zijn idee. Hij heeft dit opgezet. Hij vroeg mij hier te komen. Hij wist van mijn gevoelens voor hem. Hij heeft iedereen uitgenodigd in deze klucht om mij te vernederen. Ik blijf slap liggen op de vloer. In de verte hoor ik het gelach wegsterven. Ik hoor de stem van een leraar. De groep wordt weggestuurd. Ik niet. Ik blijf liggen. Ik blijf gewoon hier liggen. Met mijn ogen dicht. Misschien dat de aarde zich onder mij opent en mij opslokt, weg van deze wereld. Ik blijf met mijn ogen stijfdicht liggen. Alleen.

Langzaam keren mijn gedachten terug naar het heden. Ik merk dat mijn ogen tranen. Ik heb nog steeds de pot appelmoes in mijn handen. Ondertussen is hij klaar met zijn voordracht. Hij kijkt mij ingenomen aan. Hij lijkt aan te nemen dat mijn tranen van ontroering zijn. “Was je met je gedachten teruggereisd?”  vraagt hij. “Wat een tijd was dat hè? Konden we maar teruggaan.” Zijn tevreden grijns vertelt mij dat hij zich van geen schuld bewust is. Dat zijn herinneringen aan dat moment van toen totaal anders zijn dan die van mij. Hij voelt mijn vernedering niet. Achteloos heeft hij toen mijn eigenwaarde, zelfvertrouwen en gevoelens vertrapt en vernietigd. En het heeft hem niets gekost. Een lolletje was het voor hem. Een grapje. Ik haat hem. En nu is mijn kans. Mijn kans op wraak. Mijn kans om hem net zo erg te vernederen. Ik wil hem vertrappen. Ik wil die grijns met die wit blikkerende tanden van zijn gezicht rukken. Ik wil met mijn nagels zijn helderblauwe ogen uitkrabben. Ja ik wil! Nou ja. Misschien is dat allemaal wel wat overdreven.

Ik draai mij om en loop naar de keuken. Ik zet de appelmoes terug in de koelkast en pak een fles witte wijn. Er zit nog maar een bodempje in, maar er ligt meer van dit onmisbare goedje in mijn koelkast. “Wijntje?” vraag ik hem. Het is nogal vroeg op de middag voor wijn, maar hij antwoordt: “Ik dacht dat je het nooit zou vragen.” Ik pak twee glazen uit de kast. “Dus… Even terugkomend op jouw huwelijksaanzoek. Jij wilt vanavond met mij trouwen omdat?” Ik zet een glas witte wijn voor hem neer op de keukentafel. Zelf ga ik zitten in mijn roze stoel. Er staan vier zachte, met leer beklede stoelen om mijn keukentafel. Elk in een andere kleur. Hij gaat zitten in de paarse stoel. Terwijl hij de witte wijn door zijn glas laat rollen verdwijnt er iets van zijn arrogante allure.  Hij ziet er ineens een beetje kwetsbaar uit. “Alles is al geregeld voor vanavond. Alles. De witte bloemen, de gasten, de priester, de mevrouw van de burgerlijke stand. Er zijn duiven, er is eten, er speelt een bandje. Een net afgestudeerd ensemble van het conservatorium. Het restaurant is gehuurd en de menu’s zijn klaargemaakt. De bruidstaart is gemaakt in de vorm van twee dansende zwanen. En heeft een champagne-truffelvulling. Mijn geloften heb ik uitgeschreven met vulpen op een perkament. En mijn bruid. Mijn bruid die.“

Hij valt ineens stil. Ik zie een glinstering in de ooghoeken van zijn ogen. “Tranen?” denk ik. Ik onderbreek zijn stilte niet. Ik geef hem de tijd om zijn woorden te hervinden. “Ik werd vanmorgen wakker naast haar. Ze was al eventjes wakker en werkte in bed aan haar geloften. Toen ik wakker werd keek zij mij aan en ik zag onverschilligheid in haar ogen. Op haar briefje stond: Ik ben voor je gevallen op straat. Ik zag jouw blauwe ogen, maar de stoep zag ik te laat. Ik zag jouw witte tanden, ik werd erdoor verblind. Ik wil niet met jou trouwen en verdwijn nu met de wind. En toen stapte zij uit bed. Trok haar kleren aan en is zonder iets tegen mij te zeggen vertrokken. Onder haar kussen vond ik jouw gedichtenbundel met mijn visitekaartje als boekenlegger bij het vogelgedicht. Zodoende kwam ik op het idee om te vragen of jij misschien mijn bruid zou willen zijn.” Ik neem een slok van mijn wijn en kijk naar hem. In zijn ogen lees ik een gekwetstheid. Een droefheid. Hij houdt echt van haar, zie ik in.  Op dat moment besef ik mij dat mijn wraak al is voltrokken. Alleen door iemand anders. Ik hoef hem helemaal niet meer te vernederen. Want waarom zit hij hier tegenover mij? Blijkbaar heeft hij niemand anders. Ik, een vrouw die 15 jaar geleden opbiechtte verliefd op hem te zijn, is kennelijk de dichtstbijzijnde ervaring die hij heeft gekend wat de liefde betreft. Maar ik ben destijds opgestaan van de vloer. Ik heb mijn ogen weer opengedaan en heb keihard gewerkt aan mijzelf en mijn vertrouwen in de liefde herwonnen. Ik waardeer mijzelf nu. Ik houd van mij. Maar hij. Hij heeft zijn ogen nooit open gehad. Ik zie hoe het spiertje in zijn gezicht onophoudelijk trilt. Ik zie de tranen in zijn ogen. Ik heb medelijden met hem. Ik strek mijn hand naar de zijne uit en streel kort zijn vingers. Dan leg ik mijn hand in zijn gezicht en veeg zijn tranen weg. “Ik kan niet met je trouwen. Ik ken je niet eens. Dat begrijp je toch wel?” Zeg ik tegen hem. “Je zult de bruiloft moeten afzeggen. Kan ik iets doen om je hierbij te helpen?” Bied ik hem aan. Hij kijkt mij aan en knikt. Hij brengt het glas wijn aan zijn lippen en kloekt in een keer de hele inhoud naar binnen. Dan staat hij op en knikt nog een keer naar mij. Hij ziet er verslagen uit. Alle arrogantie, blikkerige witte tandengladheid en zelfvoldaanheid is verdwenen. Het is gewoon een man. Eenzaam en niet erin geslaagd te ontdekken wat liefde eigenlijk is. De liefde is voor hem nog altijd die onbetrouwbare, wispelturige feeks. Hij draait zich om en loopt zonder iets te zeggen mijn voordeur uit. Ik houd hem niet tegen. Ik vraag mij af of ik ooit nog iets van hem zal horen. Ik vermoed van niet. Ik staar naar mijn eigen glas witte wijn. Ik graai naar mijn notitieboekje en pen die in mijn fruitschaal liggen. En begin te schrijven aan een nieuw gedicht.

Ik tijd

Ik tijd.

Ik heb haar gekrabd! Met verschrikte ogen kijkt ze mij nu aan. Haar ademhaling gaat snel. Ik heb haar hard gekrabd. De striem begint vlak onder haar oog en eindigt pas bij haar kaaklijn. En diep is het ook nog. Het bloed begint zich in bolletjes te verzamelen en er lopen drie straaltjes langs haar jukbeen naar beneden.

Ha! Net goed! Jarenlang heeft ze mij gekweld, gehoond, gehaat. Maar nu is het genoeg. Ik haat haar terug. Ik vecht terug. Het is tijd voor IK.

Ze slaat haar ogen neer. Slappe trut! Durf je niet meer? ‘Kijk mij aan!’ roep ik. En ze gehoorzaamt mij. Ik ben razend. Ik voel triomf. Achter haar verschijnt ineens mijn dochter. “Mam, wat doe je! Waarom schreeuw je tegen de spiegel?!” In spiegelbeeld zie ik wat mijn schouder voelt. Haar hand op mijn schouder. En ik draai mij naar haar toe.

Het sprookje over Acht, de wereldberoemde mestkeverkunstenaar.

Er was eens een glanzend zwarte mestkever. Hij was werkelijk prachtig. Zijn schild was stevig, egaal en had van die oliekleurige weerspiegelingen. Dan weer blauw, dan weer groen en dan weer glanzend oranje met roze.

Zoals gebruikelijk bij mestkevers was ook hij genoemd naar het nummer van zijn nestkamer. Daar dacht hij verder niet over na. Hij was gewoon Acht. Hoe hij dat eigenlijk wist, dat begreep hij ook niet. Het was ook niet zo belangrijk voor hem. Want wat zegt een naam? Zou niet een mestbal, wanneer het anders zou heten, niet net zo heerlijk geuren?

Acht was geen doorsnee mestkever. Niet alleen qua uiterlijk, hij zag er namelijk uitzonderlijk goed uit voor een mestkever. Ook was hij totaal anders dan welke mestkever dan ook, die ooit balletjes over de aardbodem gerold hadden. Hij deelde dezelfde passie voor mest met andere kevers van zijn soort. Sterker nog, zijn passie ging die van zijn soortgenoten ver voorbij. Voor hem was mest pure schoonheid. Het betekende het einde als wel het begin. Het stond voor oneindigheid en eenheid. Alle organismen deelden eenzelfde vermogen. Namelijk om zich te ontlasten. Het leven is verbonden door feces. En hij had de bijzondere taak de wereld er mee te verschonen en er mee te verblijden.

Zijn geboortebal was na zijn uitbraak nog volmaakt rond en leek nog onaangeroerd. Alleen op de plaats waar hij uit tevoorschijn was gekomen puilde het zachte binnenste naar buiten als zijnde een bloem. Een fris windje streek langs Acht zijn langzaam harder wordende schild. De zon verwarmde zijn rug en Acht verwonderde zich over de pracht van zijn eigen glanzen. Hij voelde meteen aan dat hij wel heel bijzonder moest zijn. Wat een perfecte schoonheid. Die kleuren, die aroma’s, die schitterende vormen. En wat vond hij zijn eigen schild fenomenaal mooi. En Acht besloot ter plekke dat hij zijn leven wilde toewijden aan het verspreiden van deze schoonheid. Zo begon Acht aan zijn eerste werk.

 Drie voorjaren waren er inmiddels voorbij gegaan sinds hij uit zijn nestkamer was gekropen. Het was een heldere ochtend en de zon kondigde zich alleen nog maar aan door de lucht rozerood te kleuren. En terwijl Acht zich omdraaide om voor de laatste keer de buitenkant van zijn vertrouwde onderkomen te bekijken, leek het net of zijn mestbalhuis een halo van kleuren droeg. Hij zou het hier missen, maar de wereld had hem nodig. Zijn kunst verdiende het tentoongesteld te worden voor het grote publiek. Eenmaal ontdekt, zou hij de wereld verbeteren. Dat wist hij zeker.

Rondom hem stonden creaties van hem met de meest spectaculaire vormen. Al zijn kunstwerken waren gemaakt van het zachtste en puurste mestmateriaal dat hij in zijn omgeving kon verzamelen. Dagen en weken werkte hij keihard om exact te maken wat hij voor ogen had. Ieder kunstwerk vertegenwoordigde een verhaal. Rechts van zijn mestbalhuis stond het kunstwerk ‘De glans van mijn schild’. Een zelfportret in mest uitgebeeld. Links van zijn mesthuisje stond het mestbeeld ‘perfecte schoonheid’. Dat wederom een zelfportret voorstelde. Eigenlijk stond zijn hele territorium vol met zelfportretten. Ieder met een eigen thema, maar allen met hetzelfde sublieme onderwerp.

Acht had een kleine selectie van zijn beste werk rolklaar gemaakt. Hij was een beetje nerveus en angstig dat zijn werk ook maar een ietsepietsie zou beschadigen tijdens de reis. Maar hij was er klaar voor. Hij zou eindelijk zijn grootheid openbaren aan ‘daar buiten de paardenwei’. Daarna zou hij ogenblikkelijk geroemd worden om zijn vermogendheid de puurheid van mest te combineren met perfectie in zijn verschijning. Dus op pad!

De twee maanden ervoor was Acht heel druk bezig geweest om een goed plan te maken. Daarbij had een van de paarden in de wei enorm geholpen. Deze had hem veel verteld over de weidsheid van de wereld en hem tenslotte bovenop zijn hoofd laten plaatsnemen. Zo kon de mestkever de wonderlijke wereld van ‘boven het gras’ goed bekijken. En had hij zijn ideeën steeds verder uitgedacht. Van waar hij naartoe zou gaan, tot hoe hij er wilde komen. De afstand die hij wilde afleggen was niet zozeer bijzonder groot. Het was wel een aanzienlijk stuk duwen, maar als hij zonder mestkunst zou gaan, dan zou het op ongeveer drie dagreizen neerkomen. De omgeving waar hij doorheen zou reizen was grotendeels weiland en lage begroeiing. Op ongeveer drie kwart van zijn reis zou hij een asfalt weg passeren. Deze zou hij eerst een stukje volgen om vervolgens op het smalste deel over te steken. Daarna was het alleen nog een kwestie van de tuinrand volgen wat al licht omlaag liep. Het rollen zou daar nauwelijks meer moeite kosten.

Normaal gesproken heeft een mestkever maar één nette, ronde bal om te duwen. En dat is al een hele klus. Acht wist dat zijn plannen een grote uitdaging zouden zijn,maar hij kon dat absoluut aan. Hij had vaker tegenslag gekend en ook dan zette hij door. Het zou nu niet anders zijn. Het leek hem in ieder geval het beste om steeds kleine stukjes van het traject af te leggen met een mestkunstwerk. En dan steeds een volgende op te halen totdat alles weer was verzameld. En zo steeds weer opnieuw totdat hij er zou zijn. Maar wat hij niet had voorzien, was het ‘publiek’.

Terwijl hij zwoegde op zijn derde mestkunstwerk merkte hij op dat er een sprinkhaan ongewoon ontspannen aan een grasspriet naar hem hing te kijken. Iets in de gelaatsuitdrukking van de sprinkhaan zat Acht flink dwars. In plaats van een ademloze bewondering voor Acht zijn glanzende schild, of zijn volmaakte kunstwerken, keek deze sprinkhaan licht geamuseerd. Absoluut heel ongewoon voor een sprinkhaan. En dat geldt ook voor die de ontspannen houding. Sprinkhanenzijn zelden ontspannen en al helemaal nooit geamuseerd. Ze staan juist bekend om hun humeurigheid en zijn erg op zichzelf. Maar nog voordat Acht kon vragenof de sprinkhaan even kon bijspringen, sprong het op en verdween uit het zicht.

‘Dat was onbeleefd.’ Dacht Acht. Maar verder had hij geen tijd om daar bij stil te staan. Er moest nog een heleboel door het gras gerold worden. Hij wilde op schema blijven en liep terug om kunstwerk nummer vier te halen. Hij bedacht zich dat, als hij deze laatste tot aan de andere drie had gerold, hij eventjes zou gaan rusten. Een paar duwtjes verwijderd van zijn bedachte pauzeplaats zag hij de sprinkhaan weer. Maar deze was niet meer alleen. Er zaten vijf andere sprinkhanen op verschillende hoogtes in het gras. Maar zij waren niet de enigen. De mestkever zag ook een veldmuis een libel en een lieveheersbeestje zitten. En geen van allen leken daar te zijn om zijn kunstwerken te bewonderen. Of waren van plan hem te helpen bij zijn gesjouw. En terwijl Acht het vierde mestkunstwerk vooruit duwde en de drie wachtende mestkunstwerken naderde, sloten zich daar nog twee strontvliegen een spin en een tweede veldmuis bijaan.

‘Wat is dit voor shit?” vroeg de strontvlieg aan de mestkever. Acht voelde zich behoorlijk beledigd. Dat was toch duidelijk? Maar kennelijk was niet iedereen zo beschaafd en antwoordde hij: “ Wat denk jij zelf wat het zijn?” “Nou,” zei de strontvlieg,” ik heb werkelijk geen idee. Ofwel je bent de slechtste pillendraaier die er op deze aardbol rond loopt, of je hebt bewust deze misvormde ballen gemaakt. Het lijkt wel alsof dat paard erop heeft gestaan en je geen zin had ze weer opnieuw tot bal te draaien.” Na dat gezegd te hebben vloog de strontvlieg terug naar het groepje kijkers. Inmiddels deden de andere dieren niet eens meer moeite hun lachen te bedwingen. Als de mestkever niet zelf het onderwerp van deze spot zou zijn geweest, dan had hij het geluid vast kunnen waarderen. Want een lachmengelmoes van al deze verschillende diertjes bij elkaar is echt heel vrolijk om te horen. Maar nu wist de mestkever niet zo goed wat hij hiermee aan moest. Hij wilde in ieder geval niet hier blijven om uit te rusten. Zeker was dat hij niet wilde laten blijken hoezeer ze hem hadden gekwetst. Hij maakte zich groot en draaide zijn rug naar het gezelschap. Met een hooghartige blik zette hij zich schrap om zijn reis te vervolgen.

In zijn woede, verdriet en onbegrip vergat hij dat hij van plan was eerst een stukje de weg te volgen. Hij zou schuin langszij het asfalt zijn uitgekomen, maar was nu in een rechte lijn naar de weg gegaan. Dat betekende dat hij nu de volle breedte van de weg moest oversteken. Zijn woede over het onbeschofte gedrag van het groepje dieren was gelukkig gezakt. Het duwen van vier gigantische mestkunstwerken zonder ze te beschadigen was daarvoor te intensief. De zon was inmiddels gezakt en het begon langzaam te schemeren. Acht verstevigde de vier mestkunstwerken zodat ze niet zouden omvallen en begon aan zijn nachtrust. Hij was verschrikkelijk moe en sliep bijna direct in. De nacht verliep rustig. Geen van de weide dieren vielen hem die nacht lastig.

De volgende ochtend stond Acht heel vroeg op. Hij inspecteerde het oppervlak van het asfalt en ging er voorzichtig op staan. Wat een ontzettende meevaller. Het oppervlak was egaal en glad. Het duwen van een mestkunstwerk zou eenvoudig gaan, zodat hij snel in het veilige gras van de overkant zou aankomen. Acht had al een tijd geen activiteit op de weg waargenomen. Het paard had hem overigens eerder gerustgesteld dat dit een rustige weg was. Hier reden maar weinig rolblikken. Acht draaide zich naar het mestkunstwerk dat het verste van de weg af lag en stak zijn achterpoten omhoog. Hij had nog niet èèn duwtje gegeven toen hij ineens vrolijk gegrinnik hoorde. Nee hè, alweer die verschrikkelijke sprinkhanen. Het begon een plaag te worden, want er zaten er nu zeker twintig. Waar kwamen die allemaal vandaan? “Wacht maar,” riep Acht naar de lachende en hikkende sprinkhanen. “Binnenkort ben ik de beroemdste mestkever ter wereld. Als mijn kunst het grote publiek bereikt, dan heb ik zoveel invloed dat ik jullie sprinkhanen zo uit deze paardenwei kan laten wegjagen.” Hierop zwol het gegrinnik en gelach alleen maar aan. Sprinkhanen hebben zelden lol en laten zich zeker niet bang maken met zo’n loze dreiging. Dit buitenkansje op plezier lieten ze zich niet afnemen.

Acht kookte van woede maar spande alles aan om zijn zware mestkunstwerk over het dikkere asfalt randje van de weg te duwen. Nog een heel klein stukje en dan was hij er. Het zwaarste deel zou dan achter de rug zijn en hij zou dan ook verlost zijn van die vervelende, lachende sprinkhanen. Ja! Het was gelukt! Hij had zijn zware last over het randje heen geduwd en stond nu langs de zijkant op het grijze asfalt. Heel eventjes maar stond Acht stil om het gladde wegdek te bewonderen.

SKJRUNCH

Een zwarte vrouwenlaars voorzien van een brede schacht passeerde precies daar waar de mestkever zojuist stilstond. Toevallig genoeg stond het mestkunstwerk nog onbeschadigd op het asfalt. De sprinkhanen hadden alles zien gebeuren en sprongen wat dichter bij de weg. Een ervan ging tussen het mestkunstwerk en de geplette mestkever in staan. Zijn blik ging van het een naar het andere en zijn kopje ging van links naar rechts. De andere sprinkhanen dachten dat hij zijn kopje zachtjes heen en weer schudde. De daverende bulderlach van de sprinkhaan op de weg kwam daarom volkomen onverwacht. Proestend sprong de kijker weer tussen zijn sprinkhanengroep in en schuddebuikte van het lachen. “Whoehahaha! Die mislukte mestbal naast hem op de weg, lijkt op twee druppels water op hem. Echt waar! Precies zoals hij er nu bij ligt. Het gelach van de sprinkhanen trok veel weidebewoners aan. Al heel snel was het publiek aangegroeid tot een paar duizend krioelende diertjes en dieren. Niet alleen afkomstig uit de paardenweide, maar ook helemaal van de andere zijde van het dorp kwamen ze kijken naar het gekke spektakel. Nou, vonden de sprinkhanen. De mestkever was in ieder geval beroemd geworden met zijn kunst.

De nacht is groen.

Wat was dat?!  Ik knipper sloom met mijn ogen, maar zie geen verschil tussen ogen dicht en ogen open. Traag wen ik aan het donker. Groenig licht schemert tussen de spleet van mijn donkerblauw fluwelen gordijnen. Ik heb mijn ogen dus open, besef ik mij. Flarden van droombeelden flitsen voorbij. De binnenkant van een oud en griezelachtig huis. Verrotte planken vloeren en schimmel op de muren. Een veeg mist, midden in de kamer. Een haveloze kat die langs mijn benen schiet en verdwijnt. En groenig licht. Maar dat licht komt niet voort uit mijn droom. Of toch wel? Waarschijnlijk is het beide. De droom vervaagt maar het groene schemerlicht blijft. De buitenwereld ziet er surrealistisch en spookachtig uit. Er hangt een sfeer van slechte horrorfilms en buitenaardse wezens die, …  “SSKKRIEIIEIEIIIEAIEVVSSTSSTSSSIEKS” Onmiddellijk komen mijn haartjes overeind. Gevolgd door een klammig koud gevoel. ‘Wat was dat?!’ Krassende nagels over een schoolbord? Een mes kervend over een glazen fles? En nu hoor ik een heel zacht tikken. Ik voel mijn hart kloppen. Sneller dan normaal. Mijn gezicht voelt koud aan. Ongemerkt heb ik mijn adem ingehouden. Maar nu zuigen mijn longen zich onregelmatig vol met nieuwe zuurstof. Ik onderdruk de neiging onder mijn dekbed te duiken. Als een klein meisje met haar knuffel. Het dekbed als schild gebruikend waar enge monsters en griezelige spoken op afketsen. Het dekbed als ultieme schuilplaats. Het veilige gevoel van onzichtbaar te zijn. Je kunt niet worden opgegeten wanneer de monsterachtige ogen je niet zien. De half afgevallen etterende neus je niet kan ruiken. En magere witte handen met lange krullerige vieze nagels je niet kunnen voelen.

Ik ben alleen. Niemand anders die mij beschermd. Op mijn wekker staan de cijfers 2:43. Ik strek mijn arm uit om het licht aan te doen. Het knopje maakt een schel ‘peppit’ geluid. Het zachte witte licht vermengd zich met het groene. Terwijl het lampje steeds iets feller gaat schijnen verdwijnt het griezelige horrorsfeertje uit de kamer. Ik stap uit bed en trek snel mijn badjas aan. Het is koud en ik huiver. Ik kijk de gang door maar zie niets bijzonders. Mijn kamer is niet groot. Er past zelfs geen kast in waar een monster zich kan schuilhouden. Er is geen ‘onder mijn bed’ ik slaap in een boxspring.  Ik schuif de zware fluwelen gordijnen opzij en kijk erachter. Ik zie mijn eigen kamer weerspiegeld in mijn raam. Ik sta vooraan maar kijk snel weg. Mijn fantasie neemt een loopje met mij en spiegelt een donkere schaduw achter mijn schouder. Stomme angsten! Er is niets, houd ik mij voor.

“IEIEIEIESIEKCHIEIEIEIESKRGRIECG!” Het geluid is vlakbij. Het komt van recht voor mij. Het raam dus. Ik zie niets op het raam. Alleen mijn eigen kamer spiegelt erin. Wat het ook is, het komt vanaf de buitenkant. Met drie stappen sta ik bij mijn lamp en klik op de lichtschakelaar. “Peppit” en het licht in mijn kamer is uit. Ik adem diep in om moed in te zamelen. Dan draai ik mij om en loop langzaam terug naar het donkere raam. De buitenwereld gloeit groenig. De hele straat is voorzien van nieuwe straatverlichting. Groene lampen. Hoe verzin je het? Groen licht wordt slechter gezien door wild, zegt men. Dat schijnt onderzocht te zijn. Het zal wel, ik vind het er doodeng uitzien. Mijn zintuigen staan op scherp. Al met al verwacht ik een hard geluid. Een klap op het raam door een halfvergane zombie. Of een zwerm vleermuizen dat zich tegen mijn raam te pletter vliegt. Ik ervaar het gevoel van klotsende oksels. Dat bestaat dus echt. Mijn ogen zijn nu gewend aan het duister. Mijn blik glijdt over het raam. Ik begin onder en volg het glas naar boven. “tik, tik, tik”… Daar! Nu zie ik het. Daar zit de gruwel die mij met zijn Freddy Krüger geluiden uit mijn slaap houdt. Ik zie een glinsterend, slijmerig spoor. Aan het einde van het spoor begint een grijzig week lichaampje van een…

Slak. Een slak! Wat stom! Zijn huisje is topzwaar en hangt schuin naar links. Op dat moment begint de slak zich weer verder naar boven te bewegen. Terwijl het huisje langs mijn raam schraapt hoor ik weer dat hoge, krassende “IEIEIEIERCHSIES”. Ongelofelijk, wat suf. Geen zombies, geen zwerm vleermuizen, aliens of andere horrors. Ik trek mijn gordijnen weer dicht en sluit het groene licht buiten. Ik kruip weer onder mijn dekens die gelukkig nog een beetje warm zijn. Ik zucht nog een keer: “Een slak!” en schud mijn hoofd. Terwijl ik mijn hoofd op het kussenloze matras leg en lekker ga liggen, bedenk ik mij dat ik een kat wil. Een kat of een vriendje.  Ik sluit mijn ogen. Het zal wel een kat worden. Die zijn een stuk makkelijker te vinden. Een paar momenten later voel ik de haveloze kat uit mijn droom van zonet weer langs mijn benen schieten. Nu de kamer in, in plaats van eruit. Grote gele ogen kijken mij aan. Het spookhuis waar ik mij in bevind valt eigenlijk ook best mee. Ik zou zelf voor een ander behangetje hebben gekozen, maar de kat des huizes is eigenlijk helemaal niet zo eng. Zou hij slakken vangen?