Stilte

De kaarsjes en waxinelichtjes doen hun werk. Een warm, flikkerend licht verspreid zich vanaf de tafel en de schoorsteenmantel. Normaal gesproken staan ze alleen wat stof te vangen, die kaarsjes. Maar vanavond ben ik blij met de hele rij waxinelichthouders op de schouw. Een beetje licht. Ik ben zo geïsoleerd in dit stille donker. De waxinelichtjes staan er al vanaf de kerstdagen. Ongebruikt. Maar nu de stroom is uitgevallen komt het ons erg goed uit dat we die rommel daar hebben staan. Het is aardedonker om ons heen. De lantarenpalen buiten zijn uitgevallen en ook bij de buren is er geen straaltje licht te bekennen. Het donker hangt als een ondoordringbaar gordijn om ons heen. Met onze kaarsjes aan voelt het alsof we in een soort zwevende sferische omgeving verkeren. In het middelpunt van de aarde. Maar dan zonder de hitte van gesmolten gesteente van de lavakern. Meer het tegenover gestelde. Alhoewel de kaarsjes een warme, romantische sfeer creëren, daalt de stilte als een kille, dunne deken op ons neer. Onze bank staat als een ijsschots in de kamer. Daar zitten we dan. Als pinguïns in de poolnacht. Ik glimlach naar je en hef mijn glas wijn naar je op. Je kopieert mijn beweging en ook jij heft je glas en glimlacht naar mij terug. Het ziet er gemaakt uit. Ik neem een slok wijn. Een grote slok. En daarna nog een. Ik wil de stilte verbreken, maar ik zou niet weten hoe. Het is zo verschrikkelijk stil. Geen zoemende koelkast, geen vaatwasmachine, droger, of wasmachine. Geen televisie, of muziek. De stilte drukt op ons neer. Bijna beschuldigend. Ons tartend en uitdagend. Het benadrukt nog eens extra ons stilzwijgen. Het ongemak van elkaars gezelschap zonder enige afleiding. Ook buiten onze lichtbol is het onnatuurlijk stil. De wereld lijkt niet meer te bestaan. Er is alleen ‘wij’. Maar tussen ons in hangt dat ene. Dat ene waar we het niet over hebben. Waar we het niet over kunnen hebben zonder onmetelijke pijn en verdriet. Het verscheurt ons. Dus we hebben het er niet over. Als we het niet hardop zeggen, dan is het er niet. Dan is het nooit gebeurd. Het bestaat niet. Dus ik neem nog een slok en glimlach naar je. Maar het maakt niet uit hoeveel ik naar je glimlach. Het zal nooit het gat in jouw hart vullen dat mijn daad erin heeft gehakt. Het is zo oneerlijk. We hebben het samen gedaan. We wilden het geen van beide. Maar op de een of andere manier ben ik toch de boeman in dit verhaal. Want het leefde in mij. En dat heb ik moedwillig weggehaald. Ook al hield je mijn hand vast tijdens de het hele proces. Het doet gruwelijk veel pijn. Het voelt alsof ook mijn hart uit mijn lichaam is gezogen. Mijn gevoel voor compassie is weggerukt. Ik voel mij zo leeg. Ik zou willen dat ik je met mijn fake glimlach kan dwingen naar mij te kijken. Niet alleen naar het lege omhulsel waarvan je zoveel hield. Maar kijk naar mij. Zie mij. Maar binnen het vacuüm waar wij ons nu bevinden heerst alleen stilte. Geen woorden van berouw, vergeving, of liefde. Het komt er gewoonweg niet doorheen. En dan ineens kantelt de ijsschots. Je schuift naar mij toe en heel zacht veeg je een traan van mijn gezicht. Ik had niet eens door dat ik huilde. Je legt je arm om mij heen en ik voel de warmte van jouw lichaam naar het mijne uitstralen. Ik leg mijn hoofd tegen jouw schouder. De stilte om ons heen is oorverdovend. Maar de kilte lijkt langzaam te verdwijnen. Het warme licht van de waxinelichtjes tekent onze afdruk op de muur. Eén grote schaduw. Daar zitten we dan. Op een smeltende ijsschots. Dicht tegen elkaar. Buiten gaan de lantarenpalen weer aan. De koelkast begint te zoemen. Maar wij blijven als levende standbeelden zitten. In de met kaarsen verlichte woonkamer. Onzeker glimlachen we naar elkaar. Een glimlach van duizend onuitgesproken woorden. Toch is de stilte doorbroken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *