Koekjes voor de kabouters.

Een beetje opgelaten loop ik over het tegelpaadje door het perfect onderhouden tuintje. Ik loop achter de buurvrouw aan naar haar achterdeur. “Ik heb binnen nog wel een emmertje liggen, ga maar even mee.” Mompelt ze.  

Ik ben vorige week in het huis naast haar komen wonen en heb mij nog helemaal niet voorgesteld. En nu vraag ik haar direct al om een emmertje, omdat die van mij net stuk ging. Het was kennelijk niet zo’n stevige emmer.  Hij spleet compleet door tweeën door het gewicht van de doos boeken die ik erop parkeerde. Het is zondag elf uur ‘s morgens. Ik heb nog een heleboel te boenen en te poetsen voordat mijn huisje is veranderd in een paleisje. Maar in dit dorp is er geen winkel zondags open die emmers verkoopt.

Terwijl ik het trappetje oploop bij haar achterdeur, verbaas ik mij over het kleine tafereeltje links naast het trapje.  Ik zie een plastic kindertafeltje met daarover een keurig roodgeblokt tafelkleedje. Er staan een thermosflesje en twee gebloemde kopjes met schotel. Een karafje met rode limonade met twee glaasjes. Een curverbakje met zelfgemaakte koekjes en een vaasje met madeliefjes.

Ondertussen mompelt de buurvrouw iets over emmertjes en dat ze nooit staan waar ze horen te staan. “Alsof de kaboutertjes ze steeds verplaatsen.” Mompelt ze. “Hahahaha, de kaboutertjes!” lach ik. “Nou, als die nou eens zo’n emmertje in mijn kast komen zetten, dan ben ik ze erg dankbaar! Of beter nog. Mijn huisje helpen schoonmaken, dat zou super zijn!” De buurvrouw lacht niet met mij mee. Ze kijkt samenzweerderig. “Dat doen kabouters soms.” Zegt ze doodserieus. “Kabouters  helpen graag. Kijk maar eens naar mijn tuintje. Die houden de kabouters voor mij bij.”

Ik kijk haar aan en wil gaan lachen, maar houd mij net op tijd in. Ze bedoelt dit serieus. Ze maakt geen grapje.

De buurvrouw glimlacht warm. “ Kabouters bestaan écht, weet u. Ze zijn heel schuw en laten zich niet zien. Maar ze zijn dol op mijn koekjes! Ik denk dat ze speciaal daarvoor iedere week terugkomen en mijn tuintje mooi houden. Iedere zondagmiddag zorg ik voor wat drinken en lekkere koekjes. En wanneer ik om 17.00 uur terugkom van de bingo, dan is mijn tuintje weer verzorgd en vind ik alleen nog een paar kruimeltjes terug.”

Ik weet niet zo goed wat ik moet geloven. “Oh, dus daar is dat mooi gedekte tafeltje voor.” Zeg ik dan maar. “Wat leuk.”

Ondertussen heeft de buurvrouw een emmertje gevonden die ze mij aangeeft.  Ik bedank haar hartelijk en ben blij dat ze niet verder over de kabouters praat. Ik voel mij niet zo op mijn gemak bij oude vrouwtjes die het over kabouters hebben. Ik ben wel razend nieuwsgierig wie dan haar tuintje bijhoudt. En natuurlijk wie die koekjes eet. Het idee van kabouters staat mij ergens wel aan. Het is zo lief, schattig en sprookjesachtig. De wereld kan wel wat magie gebruiken. Wat magie en sprookjesprinsen op mooie witte paarden. Maar we leven hier niet in de Efteling. En zelfs daar zijn geen echte kabouters. Ik geloof niet in kabouters. Wel in spoken en monsters helaas. Ik zou liever in kabouters geloven. Daar slaap ik een stuk rustiger van.

Terwijl ik de buurvrouw nog een keer bedank  en gedag zeg, loop ik het trapje bij de achterdeur weer af. Ik kijk nog eens naar het mooi gedekte kaboutertafeltje. Dat mensje is vast knettergek. Maar het is duidelijk dat zij haar tuintje niet zelf zo mooi houdt. Wie zou dat dan doen? Wie houdt haar in de waan dat het kaboutertjes zijn, die haar tuintje doen en haar koekjes eten? Wie doet haar dit plezier, zonder zichzelf bekend te maken? Wie geeft haar dat stukje magie? Wat is dat voor iemand? Ik moet toegeven, ik ben bloednieuwsgierig.

Ik neem mij voor om haar tuintje vanmiddag goed in de gaten te houden.

Weer terug in mijn eigen huisje word ik weer eventjes overvallen door alle troep. Verhuizen, wat een K-zooi is dat! Ik raap de uit de doos gevallen boeken op en leg ze weer terug in de doos. De verleiding weerstaand er een te openen om de eerste bladzijde te lezen. Om daarna niet meer te kunnen stoppen. Ik loop met de emmer van de buurvrouw naar de keuken en maak een sopje. Poetsen. Geen kabouter te zien, dus ik moet dit echt zelf doen.

Buiten hoor ik autodeuren dichtslaan. Ik zie hoe de buurvrouw instapt om naar haar bingomiddagje te gaan. “Kaboutertijd!” Hoor ik het roepen in mijn hoofd. Met mijn emmer loop ik naar boven om schoon te maken in de achterkamer. Daar heb ik een uitstekend zicht op haar tuintje. Ik zie nog niemand. Maar ja, dat zou ook wel heel erg snel zijn.

Ondertussen heb ik de deur, de plinten en de vensterbank schoongeboend. Het water in de emmer is helemaal grauw en mijn sopje is verdwenen. Tijd voor een nieuw sopje. Er is nog niemand in de tuin gekomen en ik vraag mij af of de kabouters vandaag wel zullen komen. Ik wil eigenlijk mijn uitkijkpost liever niet verlaten, maar heb echt schoon sop nodig. Ik besluit het snel te halen.

Wanneer ik terug kom in het achterkamertje zie ik in het tuintje beneden beweging. Er staat een kruiwagen met hark, schop en tuinmateriaal op het paadje. In de tuin staat een man van een jaar of vijftig. Ik weet wie dat is. Dat is de buurman van mijn andere kant.  De buurman is een lange, magere man met kalend hoofd. Met zijn roestbruine ribbroek, zijn houthakkersblouse en donkergroene bodywarmer lijkt hij in niets op een kabouter. Hij heeft niet eens een baard. Ik kijk hoe hij wat onkruid tussen het bloemperkje uittrekt. Dan pakt hij een vieze, katoenen zakdoek uit zijn broekzak en snuit luidruchtig zijn neus. Met de puntjes van de zakdoek pulkt hij nog wat in zijn neus. Niet echt kaboutermanieren, denk ik ontnuchterd. Hij loopt naar het mooi gedekte tafeltje en pakt met zijn grote mensenhanden een paar kleine koekjes tegelijk die hij vervolgens in een keer in zijn mond propt. Dan kijkt hij ineens omhoog. Oeps, ik ben betrapt op het gluren naar de buurman. Een beetje beschaamd glimlach ik naar hem en zwaai naar hem.  

De buurman zwaait niet terug. Ergens voel ik toch een teleurstelling. Het leven is geen sprookje. De magie is niet meer dan een vriendelijke buurman met een vieze, katoenen zakdoek. Ik pak een beetje somber mijn emmer sop en werk weer verder.  Ik neem mij voor de buurvrouw nooit te vertellen wie haar koekjes eet en haar tuintje onderhoudt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *