Ons rondje

“Ja, deze moeten we hebben schat. Heb je ons pasje bij je? Dan krijgen we twee euro korting. ”Anja staat stralend met het doosje in haar handen. “Wacht, ik pak er nog een bij. Dan dragen we allebei ons eigen licht en verlichten wij elkaars pad. Waarom kijk je zo, Wim? Dit is toch een prachtig idee? Als het regent hebben we onze handen vrij voor een paraplu. Tenzij het waait natuurlijk. Ach ja, paraplu’s zijn ook maar lastig. Een regenjas voldoet prima. Maar toch is het handig, schat. Heb je dat pasje al gevonden?” Anja ratelt door. Ik glimlach naar haar. God, wat is ze prachtig. Ik ben zo gelukkig met haar. Zo gelukkig dat het pijn doet. Het doet mij pijn haar zo te zien. Ze is zoveel dapperder dan ik ben. Zo krachtig en positief. Dus ik glimlach naar haar. Ik doe mijn best. Want een positieve instelling heeft een positief effect, zei dokter Hartman. En die zal het wel weten. Zij heeft ervoor gestudeerd.  

Ik presenteer mijn ANWB klantenpasje bij de balie aan de verkoopster. Anja stapelt twee doosjes met de hoofdlampjes op de balie . Daarbovenop legt ze een nieuwe, groene paraplu en twee pakjes met van die gele, reflecterende hesjes. Het is zo’n paraplu die heel klein ingeschoven kan worden. Zo is het lekker makkelijk mee te nemen, vindt ze. En die hesjes. Tja, gewoon van die reflecterende dingen. De paraplu wiebelt zo enorm op de doosjes dat het er bijna vanaf valt. De verkoopster ziet de ongelijke strijd en redt het ding voordat het van het kleine stapeltje afrolt. Ze bliept met haar scanner de streepjescode en vaardig bliept het apparaatje de codes van de twee lampjes en de hesjes. “Gaan jullie de mijnen in?“ Grapt ze. Anja lacht er hartelijk om. “Nee joh,” zegt Anja, ”die zijn voor het wandelen. We wandelen ’s avonds nog graag een stukje. Nu blijft het wel lekker lang licht, maar dat is over een tijdje wel anders. Dan zijn we maar vast voorbereid. Voor je het weet hebben we deze nodig en zijn ze overal uitverkocht. We wonen vlak bij de dijk en die dijk, nou ja, dat is soms nog best spannend als er een auto met tachtig langs je heen sjeest. Levensgevaarlijk! Het is zo verschrikkelijk donker op die dijk en we eindigen liever niet als van die zielige, platgereden egeltjes in de berm.” “Groot gelijk,” beaamt de verkoopster. “Het is inderdaad van levensbelang om goed zichtbaar te zijn. Ik heb hier ook lichtgevende bandjes voor u. De lampjes kunt u zelf instellen. U kunt ze het beste op knipperen zetten, dan bent u het best zichtbaar. Ja, voor uw eigen veiligheid kunt u maar beter goed zichtbaar zijn.” Dankbaar knikt Anja naar de verkoopster. Dan kijkt ze naar mij. “Wat een goed idee! Hoeveel bandjes doen we, Wim?” “Nou,” stamel ik, een beetje overdondert. In gedachten zie ik ons als kerstbomen over de dijk heen wandelen. Pfff, moet dat echt? Maar ik glimlach  naar de verkoopster en berustend zeg ik: “Doe er gewoon twee. Voor ons allebei een.” De verkoopster adviseert ons het bandje aan onze rechterarm te dragen. Want als je op de linker weghelft loopt, dan is je rechterkant het best zichtbaar voor het tegemoetkomende verkeer. Ik betaal met het pasje van onze gezamenlijke rekening en daarna verlaten we de ANWB-winkel. Anja is helemaal in haar nopjes. “Dan lopen we iedere avond een uurtje.’ zegt ze. “ Via het kasteel langs de garage en dan via de Koffiemolen richting de dijk. Langs het grijze huis aan het water en door de Pas lopen we terug.’” Dit is ons lievelingsrondje. Ik kan hem ondertussen dromen. Sinds dokter Hartman ons een maand geleden adviseerde vooral in beweging te blijven, wandelen we zo vaak mogelijk. Meestal dit rondje. Het is inmiddels een vertrouwd wandelingetje. Anja ratelt verder.  “Je weet wel, langs dat huis met die controlekamer.” Dat is ons grapje. Het is ook zo’n raar gezicht. Zitten die mensen daar op de bank tussen vier laptops en tablets en telefoons en wat al niet meer. Dus nu gluren we iedere dag even tijdens het voorbijgaan door het raam naar binnen om te zien of alles nog ‘in control’  is. Anja vervolgt de route. “Dan kunnen we bij de aardbeienautomaat af en toe wat aardbeitjes meenemen. En als het kouder wordt, dan drinken we na onze wandeling lekker een beker warme chocolademelk. Met slagroom! De Albert Heijn heeft tegenwoordig ook van die bekers voorgeklopte slagroom. Hoef je niet eens meer te mixen. Die spuitslagroom vind ik maar niets. Die is zo verdwenen en vreselijk zoet.” Heel even flitst er een rotgedachte door mijn hoofd. ‘Die is zo verdwenen’, resoneert in mijn hoofd. Ik kijk naar Anja en mijn longen lijken ineens een stukje te krimpen. Eventjes is mijn ademhaling ontregelt. ‘Verdwenen’. Nee! Denk ik er direct achteraan. Ze verdwijnt niet zomaar ineens. We hebben een goede kans dat ze dit te boven komt. Een agressieve therapie kan uitkomst bieden. In ieder geval uitstel geven van het onvermijdelijke. We zijn nog niet verloren. Er is hoop en we moeten positief blijven. En kijk eens naar haar. Ze zit vol levenslust. Het slechte nieuws maakt juist dat ze energieker is dan ooit. Ze stort zich enthousiast op het leven. Dus ik wandel met haar. Iedere dag een uurtje. Dat is goed voor haar. Dat is goed voor ons. En als ik dan een stom, reflecterend hesje, een hoofdlampje en knipperende armbandjes om moet doen, dan doe ik dat. Ik doe alles voor haar. Thuis aangekomen pakt Anja onze nieuwe aanwinsten uit en legt ze in het dressoir. Het is midden zomer. Voorlopig hebben we al die verlichting niet nodig. De verpakkingen gooit ze weg en ze begint vervolgens aan het avondeten. Bloemkool met aardappels en kipfilet. “Met een papje! Met een papje!” Zing ik om haar een beetje te plagen. Anja heeft daar een hekel aan. Ze vond Ome Willem maar een vieze man. Na het eten gaan we weer samen wandelen. Uiteraard pas na de koffie, want zonder koffie na het eten verzet ze geen stap. Koffie met een chocolaatje. Die heeft ze het liefste zo puur mogelijk.

Ik knipper met mijn ogen en realiseer me dat ik al een paar minuten met beide hoofdlampjes in mijn ene hand en een smeltend chocolaatje in mijn andere hand in de keuken sta. Dat overkomt mij vaker tegenwoordig. Dat ik diep in gedachten even helemaal los schiet uit het hier en nu. Als in een soort trance sta ik roerloos te dromen. Mijn gedachten zijn terug bij haar, mijn grote liefde, mijn Anja. Ik merk op dat er een paar tranen over mijn wangen rollen. In stilte vertegenwoordigen zij de afschuwelijke leegte die ik voel. Anja. Ik mis je zo ongelofelijk veel. Drie maanden geleden nog maar, stonden we in de ANWB winkel vol hoop en goede moed. We zouden dat varkentje wel even wassen. Dat vieze varken dat kanker heet. Ik zucht diep en knipper mijn tranen weg. Ik leg de lampjes op het aanrecht en eet het chocolaatje op. De kleffe, gesmolten chocolade was ik van mijn handen. Met de handdoek droog ik niet alleen mijn handen, maar ook mijn wangen. Ik haal diep adem en zet een van de twee hoofdlampjes op. Ze zullen nooit haar pad verlichten. Alleen het mijne. Het is donker buiten. Over mijn jas trek ik een reflecterend hesje aan en gesp een knipperbandje om mijn rechterarm. Zou ik die andere ook omdoen? Nee toch, ik ben geen kerstboom. Het is eind september. De herfst heeft duidelijk zijn intrede gemaakt. Maar het is droog vanavond. Het is fris, maar niet koud. Mijn softshell jas voldoet. “Kom op Wim!” spoor ik mijzelf hardop bemoedigend aan. We gaan aan de wandel. En wel ‘ons’ rondje. Ook al loop ik hier nu alleen. Het blijft voor altijd ons rondje. Langs het kasteel, door de Koffiemolen en het grijze huis. Hoe zou het zijn met de controlekamer in De Pas?  Ik trek de deur achter mij dicht en loop ons paadje af. Dit keer in stilte. Geen vrolijk ratelende Anja naast mij. Geen verhalen over buurvrouw Tiny. Geen geklaag over haar zus. Geen boodschappenlijstjes en welke schoenen ze gezien heeft in de winkel. Ik loop langs het kasteel en langs de garage. Er is niets veranderd hier. Zes weken geleden liep ik hier met haar voor het laatst. We gingen langzaam. We hadden al een week ons rondje overgeslagen. Je kon het niet meer opbrengen. Maar je wilde nog zo graag. Even de buitenlucht in. Zo’n stralend weer en lekker warm. Volop zomer, iedereen bruin verkleurd, zomers gekleed en met zomerse vrolijkheid. Het beste medicijn tegen de pijn, tegen de dodelijke vermoeidheid en het onmeetbare gewicht van het weten dat je lichaam het al verloren had. De agressieve therapie bleek te zwaar voor je lichaam en de kanker was meedogenloos. Je kon alleen nog maar wachten. En ik kon alleen met je mee wachten. Machteloos, hulpeloos. Uiteindelijk bleek dat wachten een veel te korte periode te betekenen. De ziekte woekerde vijandig snel om zich heen. Maar het was een prachtige avond. Zwoel en vol verwachting. Ik heb je toen in de rolstoel geholpen. Ik had een parasolletje aan de rugleuning geklemd om je tegen de felle zon te beschermen. Een trucje die ik had afgekeken bij kinderwagens. Nu mocht de parasol ingeklapt blijven en het stak als een onaangestoken vuurpijl recht omhoog. Vrolijk naar de avondlucht wijzend. Het was nog licht maar de zon zakte al de hemel uit en de lucht was doorspekt met roze, rood, paars en oranje.  En zo liep ik met jou ons rondje. Ook in stilte. Praten was te vermoeiend voor je. In de Koffiemolen passeerden we een dode egel. Nog nattig van het bloed lag het arme beestje aan de rand van de weg. Op zijn zij met de neus richting de berm. Vijftien centimeter verwijderd van het leven dat het gehad had kunnen hebben. Ingehaald door de autobanden van de dood. Voor het eerst tijdens onze rolstoelwandeling hoor ik je iets zeggen. “Tot binnenkort, kleine pechvogel.’ Fluisterde je zachtjes naar de egel.

Ik loop door de Koffiemolen en sta stil bij een dood, aangereden diertje. Verbaast kijk ik naar de dode egel. Het is hetzelfde beestje als die ik met Anja tegenkwam. Inmiddels plat geworden en uitgedroogd. Het ligt nog steeds aan de rand van de weg. Ongeveer vijftien centimeter van de berm. Het lijkje is alleen nog herkenbaar aan de lederachtig geworden stekelvacht. Vormeloos. Geen herkenbare punten als voor, of achterkant. “Alsof het egeltje door een koffiemolen is vermaalt. Koffiemolen. Snap je?“ Hoor ik Anja’s stem in mijn hoofd grappen. Ik glimlach. De zieke humor van haar zal ik altijd met mij meedragen. Die hield ze overigens goed geheim tegenover de buitenwereld. Maar je kon er wat van, lieve Anja. Ik vraag mij af of hun zielen elkaar nog zijn tegengekomen. Waar ze nu dan ook mogen zijn.

Ik vervolg de wandeling en loop de dijk op. Wat is het hier toch prachtig. Ik kijk uit over de uiterwaarden en zie een eindeloze groene vlakte. Twee ooievaars foerageren in het weiland onderaan de dijk. Rijzig en majestueus. Er leven hier veel ooievaars in de omgeving. Anja bleef altijd even naar ze staan kijken. Het is rustig op de dijk. En ineens ben ik ongemerkt al ter hoogte van De Pas aangekomen. In mijn hoofd hoor ik Anja vrolijk kwetteren. “Zou de controlekamer operationeel zijn vanavond?” Ik loop het weggetje door op het huis af. En ja hoor. We worden niet teleurgesteld vanavond. De lampen branden en daar zitten ze op de bank. Aan beide kanten een laptop op de leuning en een laptop in het midden. Ik zie twee telefoons ernaast liggen. En ook het grote televisiescherm staat aan. “Wat zouden ze vandaag controleren, Anja?” vraag ik. Het blijft stil naast mij. Ik loop snel door. Ik ben nu bijna thuis. De aardbeienautomaat is minder gevuld dan zes weken terug. Maar er zijn nog genoeg gevulde bakjes achter de luikjes. De vorige keer met Anja hebben we ons op aardbeien getrakteerd. Maar na een halve aardbei werd ze misselijk en begon ze over te geven. Voornamelijk gal. Ze at al niet echt meer. Vandaag koop ik er geen. Ik ben er niet voor in de stemming. Ik heb je beloofd ons rondje dagelijks te blijven lopen. Want dat is gezond en opwekkend. Dus dat doe ik nu. Ik doe alles voor je. En ik zal braaf zorgen dat ik goed zichtbaar ben. Want de auto’s sjezen je keihard voorbij op de dijk. Ik wil niet eindigen als het zielige egeltje langs de weg. Maar opgewekt word ik niet. Het is stil en leeg zo zonder jou. Ik mis je zo, schat.  

Koekjes voor de kabouters.

Een beetje opgelaten loop ik over het tegelpaadje door het perfect onderhouden tuintje. Ik loop achter de buurvrouw aan naar haar achterdeur. “Ik heb binnen nog wel een emmertje liggen, ga maar even mee.” Mompelt ze.  

Ik ben vorige week in het huis naast haar komen wonen en heb mij nog helemaal niet voorgesteld. En nu vraag ik haar direct al om een emmertje, omdat die van mij net stuk ging. Het was kennelijk niet zo’n stevige emmer.  Hij spleet compleet door tweeën door het gewicht van de doos boeken die ik erop parkeerde. Het is zondag elf uur ‘s morgens. Ik heb nog een heleboel te boenen en te poetsen voordat mijn huisje is veranderd in een paleisje. Maar in dit dorp is er geen winkel zondags open die emmers verkoopt.

Terwijl ik het trappetje oploop bij haar achterdeur, verbaas ik mij over het kleine tafereeltje links naast het trapje.  Ik zie een plastic kindertafeltje met daarover een keurig roodgeblokt tafelkleedje. Er staan een thermosflesje en twee gebloemde kopjes met schotel. Een karafje met rode limonade met twee glaasjes. Een curverbakje met zelfgemaakte koekjes en een vaasje met madeliefjes.

Ondertussen mompelt de buurvrouw iets over emmertjes en dat ze nooit staan waar ze horen te staan. “Alsof de kaboutertjes ze steeds verplaatsen.” Mompelt ze. “Hahahaha, de kaboutertjes!” lach ik. “Nou, als die nou eens zo’n emmertje in mijn kast komen zetten, dan ben ik ze erg dankbaar! Of beter nog. Mijn huisje helpen schoonmaken, dat zou super zijn!” De buurvrouw lacht niet met mij mee. Ze kijkt samenzweerderig. “Dat doen kabouters soms.” Zegt ze doodserieus. “Kabouters  helpen graag. Kijk maar eens naar mijn tuintje. Die houden de kabouters voor mij bij.”

Ik kijk haar aan en wil gaan lachen, maar houd mij net op tijd in. Ze bedoelt dit serieus. Ze maakt geen grapje.

De buurvrouw glimlacht warm. “ Kabouters bestaan écht, weet u. Ze zijn heel schuw en laten zich niet zien. Maar ze zijn dol op mijn koekjes! Ik denk dat ze speciaal daarvoor iedere week terugkomen en mijn tuintje mooi houden. Iedere zondagmiddag zorg ik voor wat drinken en lekkere koekjes. En wanneer ik om 17.00 uur terugkom van de bingo, dan is mijn tuintje weer verzorgd en vind ik alleen nog een paar kruimeltjes terug.”

Ik weet niet zo goed wat ik moet geloven. “Oh, dus daar is dat mooi gedekte tafeltje voor.” Zeg ik dan maar. “Wat leuk.”

Ondertussen heeft de buurvrouw een emmertje gevonden die ze mij aangeeft.  Ik bedank haar hartelijk en ben blij dat ze niet verder over de kabouters praat. Ik voel mij niet zo op mijn gemak bij oude vrouwtjes die het over kabouters hebben. Ik ben wel razend nieuwsgierig wie dan haar tuintje bijhoudt. En natuurlijk wie die koekjes eet. Het idee van kabouters staat mij ergens wel aan. Het is zo lief, schattig en sprookjesachtig. De wereld kan wel wat magie gebruiken. Wat magie en sprookjesprinsen op mooie witte paarden. Maar we leven hier niet in de Efteling. En zelfs daar zijn geen echte kabouters. Ik geloof niet in kabouters. Wel in spoken en monsters helaas. Ik zou liever in kabouters geloven. Daar slaap ik een stuk rustiger van.

Terwijl ik de buurvrouw nog een keer bedank  en gedag zeg, loop ik het trapje bij de achterdeur weer af. Ik kijk nog eens naar het mooi gedekte kaboutertafeltje. Dat mensje is vast knettergek. Maar het is duidelijk dat zij haar tuintje niet zelf zo mooi houdt. Wie zou dat dan doen? Wie houdt haar in de waan dat het kaboutertjes zijn, die haar tuintje doen en haar koekjes eten? Wie doet haar dit plezier, zonder zichzelf bekend te maken? Wie geeft haar dat stukje magie? Wat is dat voor iemand? Ik moet toegeven, ik ben bloednieuwsgierig.

Ik neem mij voor om haar tuintje vanmiddag goed in de gaten te houden.

Weer terug in mijn eigen huisje word ik weer eventjes overvallen door alle troep. Verhuizen, wat een K-zooi is dat! Ik raap de uit de doos gevallen boeken op en leg ze weer terug in de doos. De verleiding weerstaand er een te openen om de eerste bladzijde te lezen. Om daarna niet meer te kunnen stoppen. Ik loop met de emmer van de buurvrouw naar de keuken en maak een sopje. Poetsen. Geen kabouter te zien, dus ik moet dit echt zelf doen.

Buiten hoor ik autodeuren dichtslaan. Ik zie hoe de buurvrouw instapt om naar haar bingomiddagje te gaan. “Kaboutertijd!” Hoor ik het roepen in mijn hoofd. Met mijn emmer loop ik naar boven om schoon te maken in de achterkamer. Daar heb ik een uitstekend zicht op haar tuintje. Ik zie nog niemand. Maar ja, dat zou ook wel heel erg snel zijn.

Ondertussen heb ik de deur, de plinten en de vensterbank schoongeboend. Het water in de emmer is helemaal grauw en mijn sopje is verdwenen. Tijd voor een nieuw sopje. Er is nog niemand in de tuin gekomen en ik vraag mij af of de kabouters vandaag wel zullen komen. Ik wil eigenlijk mijn uitkijkpost liever niet verlaten, maar heb echt schoon sop nodig. Ik besluit het snel te halen.

Wanneer ik terug kom in het achterkamertje zie ik in het tuintje beneden beweging. Er staat een kruiwagen met hark, schop en tuinmateriaal op het paadje. In de tuin staat een man van een jaar of vijftig. Ik weet wie dat is. Dat is de buurman van mijn andere kant.  De buurman is een lange, magere man met kalend hoofd. Met zijn roestbruine ribbroek, zijn houthakkersblouse en donkergroene bodywarmer lijkt hij in niets op een kabouter. Hij heeft niet eens een baard. Ik kijk hoe hij wat onkruid tussen het bloemperkje uittrekt. Dan pakt hij een vieze, katoenen zakdoek uit zijn broekzak en snuit luidruchtig zijn neus. Met de puntjes van de zakdoek pulkt hij nog wat in zijn neus. Niet echt kaboutermanieren, denk ik ontnuchterd. Hij loopt naar het mooi gedekte tafeltje en pakt met zijn grote mensenhanden een paar kleine koekjes tegelijk die hij vervolgens in een keer in zijn mond propt. Dan kijkt hij ineens omhoog. Oeps, ik ben betrapt op het gluren naar de buurman. Een beetje beschaamd glimlach ik naar hem en zwaai naar hem.  

De buurman zwaait niet terug. Ergens voel ik toch een teleurstelling. Het leven is geen sprookje. De magie is niet meer dan een vriendelijke buurman met een vieze, katoenen zakdoek. Ik pak een beetje somber mijn emmer sop en werk weer verder.  Ik neem mij voor de buurvrouw nooit te vertellen wie haar koekjes eet en haar tuintje onderhoudt.