Staarwedstrijdje

Ik begin al wazig te zien. Mijn ogen branden en tranen. Ik zit al op acht minuten en drieënveertig seconden. Ik heb nog nooit een staarwedstrijdje van je verloren. Maar jij staart nu zonder iets te zien. Jouw ogen zijn nog steeds open en tranen helemaal niet. Ze zijn niet eens een beetje rood. Je ogen zijn stil, bewegingsloos, zoals ook de rest van je gezicht. Je hele lichaam stil. Je bent een schilderij. 

Ik strek mijn arm naar je uit. Je voelt vreemd. Ik strijk met mijn hand over je oogleden en sluit je ogen. Net zoals in de film. Bijna dan. Ik moet veel harder drukken en één ooglid hangt nu scheef. In de film lijkt dat heel makkelijk te gaan. Mijn opengesperde ogen staan in brand. Ik staar naar jouw gesloten oogleden. Ik knipper mijn tranen weg.  

Ik heb gewonnen.