Ja ik wil.

Ik kijk naar zijn mond. Wat doet hij hier? Zijn lippen bewegen en zijn tanden glinsteren nog net zo wit als in mijn herinnering. Woorden stromen over die volmaakt gevormde lippen. Vroeger wilde ik niets liever dan ze kussen. Vroeger. Maar dat was 15 jaar geleden…

“Weet je wat? Dit was een slecht idee. Vergeet dat ik hier ben geweest. Ik sta hier niet. Ik heb je niet zojuist gevraagd vanavond met mij te trouwen.” En terwijl hij dat zegt, lijkt hij bijna op een gewone man. Zijn gebruikelijke, onuitstaanbare zelfvoldaanheid hapert een beetje.  Nog lang niet voldoende, vind ik. Wat mij betreft is het pas een hele verbetering wanneer hij als een rokend hoopje kleren op de grond ligt. Zoals in sprookjes met de heks gebeurt. Of in the Wizard of Oz.

Ik knipper nog een keer met mijn ogen en zoek mijn stem. Bij gebrek aan geluid steek ik mijn hand naar hem uit en weerhoud hem om zich van mij weg te draaien. Een klein stemmetje in mijn hoofd roept wraakzuchtig ‘Dit is mijn kans! IK VERPULVER HEM!”

“Ach,” zeg ik, “ik had vanavond toch al weinig te doen. Ik doe het. Kom binnen, dan praten we erover. Vijftien jaar is een lange tijd om in een middagje te overbruggen. Maar als we vanavond  gaan trouwen, laten we dan beginnen met…” Bij toverslag verschijnt daar die misselijkmakende  zelfvoldane grijns op het gezicht van mijn kersverse verloofde. Die walgelijke ‘I’m to sexy for my body’ blik. De reden waarom ik zeker vier jaar lang anti-depressiva moest slikken en zeker zes jaar lang intensieve therapie heb genoten. Waarvan twee jaar intern.  Nog steeds word ik in dromen opgejaagd door die onnatuurlijke blikkerende witte tanden en die leegte in zijn blauwe ogen. Ik kan nog steeds niet naar Alice in wonderland kijken omdat die grijnskat zulke angstaanjagende vergelijkingen vertoont met die glimgrijns van hem. Hell! Uit de speakers van mijn buurjongen dreunt ineens een oorverdovend “Tonight I’m Fucking you!!” Wie fuckt hier wie? Denk ik gealarmeerd bij mijzelf.  

Ik onderdruk de impuls om de deur voor zijn neus dicht te slaan. In mijn hoofd flits er een fantasie voorbij waarin ik wèl de deur dichtsla. Maar pas nadat ik eerst zijn neus breek met de pot appelmoes die ik nog in mijn hand heb.

Het stemmetje in mijn hoofd commandeert. “Focus meid, Focus! Je laat hem nu niet gaan.” Ik herpak mijzelf en laat mijn ‘aanstaande’ binnen. “Koffie, thee, vieze boekjes?” vraag ik hem om een grapje te maken. Hij bukt en pakt een brief van de grond. Hij houdt hem voor mijn gezicht. “Zozo, post van het CJIB? Ben jij zo’n snelheidsduivel?” “Ach,”antwoord ik:”Ik schijn wat moeite te hebben met gezag. Iets met een autoritaire vader en trauma’s tijdens de jeugd is mij ooit uitgelegd. En wat is jouw excuus om na vijftien jaar aan te bellen met een huwelijksaanzoek? In zijn gezicht zie ik ineens een spiertje trekken. Zie ik nou iets van ongemak? Het is maar heel kort en het zenuwtrekje wordt direct weggewerkt door die blikkerend witte grijns. Er loopt een rilling van afschuw over mijn ruggengraat. Hij zegt: “Ik zag je op televisie. Je deed het goed, dat interview. Ik ben meteen naar de boekwinkel gegaan om jouw gedichtenbundel te kopen. Dat moet het eerste boek zijn dat ik ooit voor mijzelf heb gekocht. Toen herkende ik ineens dat vogel gedicht. Ik euhhh.” En daar viel hij stil. Datzelfde spiertje van net begint weer te trillen.

“Oh,” stamel ik. “Dat vogelgedicht. Ja… Wist je dat nog?” Ik voel de in jaren met moeite opgebouwde zelfverzekerdheid afbrokkelen als een zandkasteel bij opkomende vloed. Ik voel het zeewater stijgen van mijn enkels naar mijn knieën. Hij kijkt mij aan en begint dan met dichte ogen mijn gedicht voor te dragen. Het gedicht dat ik vijftien jaar geleden voor hem geschreven heb. Woordelijk. Het gedicht dat ik toen aan hem heb voorgedragen. Toen ik dacht dat wij alleen waren. Toen hij mij liet geloven dat wij alleen waren. Toen. Dat moment dat de wereld mijn vertrouwen verloor. En ik de liefde in haar ware verschijning zag. Namelijk als een onbetrouwbare, wispelturige feeks die haar vermaak zoekt in het onderuit trekken van romantische domme dozen, zoals ik. Dat moment waarop dat kleine beetje zelfvertrouwen van mij hardhandig uit mijn geest werd gerukt. Dat moment dat de hele klas en nog een heleboel meer schoolgenoten als  waanzinnig geworden demonen om mij heen stonden te joelen. Hysterisch gelach. Mij belachelijk makend. Gescheld. Ik hoor stukjes uit mijn eigen gedicht uit hun monden. Nog meer hysterisch gelach. Esther geeft mij een duw. Ze duwt mij naar hem. Terwijl ik struikel kijk ik omhoog en zoek iets van steun, troost of medeleven in zijn ogen. Ik zie alleen zijn meedogenloze wit blikkerende grijns. Zijn helderblauwe ogen kijken mij spottend aan. Zijn handen in zijn zakken. Ik besef op dat moment dat hij mij niet alleen als een baksteen laat vallen, maar dat hij mij op deze manier in de val heeft gelokt. Dit was zijn idee. Hij heeft dit opgezet. Hij vroeg mij hier te komen. Hij wist van mijn gevoelens voor hem. Hij heeft iedereen uitgenodigd in deze klucht om mij te vernederen. Ik blijf slap liggen op de vloer. In de verte hoor ik het gelach wegsterven. Ik hoor de stem van een leraar. De groep wordt weggestuurd. Ik niet. Ik blijf liggen. Ik blijf gewoon hier liggen. Met mijn ogen dicht. Misschien dat de aarde zich onder mij opent en mij opslokt, weg van deze wereld. Ik blijf met mijn ogen stijfdicht liggen. Alleen.

Langzaam keren mijn gedachten terug naar het heden. Ik merk dat mijn ogen tranen. Ik heb nog steeds de pot appelmoes in mijn handen. Ondertussen is hij klaar met zijn voordracht. Hij kijkt mij ingenomen aan. Hij lijkt aan te nemen dat mijn tranen van ontroering zijn. “Was je met je gedachten teruggereisd?”  vraagt hij. “Wat een tijd was dat hè? Konden we maar teruggaan.” Zijn tevreden grijns vertelt mij dat hij zich van geen schuld bewust is. Dat zijn herinneringen aan dat moment van toen totaal anders zijn dan die van mij. Hij voelt mijn vernedering niet. Achteloos heeft hij toen mijn eigenwaarde, zelfvertrouwen en gevoelens vertrapt en vernietigd. En het heeft hem niets gekost. Een lolletje was het voor hem. Een grapje. Ik haat hem. En nu is mijn kans. Mijn kans op wraak. Mijn kans om hem net zo erg te vernederen. Ik wil hem vertrappen. Ik wil die grijns met die wit blikkerende tanden van zijn gezicht rukken. Ik wil met mijn nagels zijn helderblauwe ogen uitkrabben. Ja ik wil! Nou ja. Misschien is dat allemaal wel wat overdreven.

Ik draai mij om en loop naar de keuken. Ik zet de appelmoes terug in de koelkast en pak een fles witte wijn. Er zit nog maar een bodempje in, maar er ligt meer van dit onmisbare goedje in mijn koelkast. “Wijntje?” vraag ik hem. Het is nogal vroeg op de middag voor wijn, maar hij antwoordt: “Ik dacht dat je het nooit zou vragen.” Ik pak twee glazen uit de kast. “Dus… Even terugkomend op jouw huwelijksaanzoek. Jij wilt vanavond met mij trouwen omdat?” Ik zet een glas witte wijn voor hem neer op de keukentafel. Zelf ga ik zitten in mijn roze stoel. Er staan vier zachte, met leer beklede stoelen om mijn keukentafel. Elk in een andere kleur. Hij gaat zitten in de paarse stoel. Terwijl hij de witte wijn door zijn glas laat rollen verdwijnt er iets van zijn arrogante allure.  Hij ziet er ineens een beetje kwetsbaar uit. “Alles is al geregeld voor vanavond. Alles. De witte bloemen, de gasten, de priester, de mevrouw van de burgerlijke stand. Er zijn duiven, er is eten, er speelt een bandje. Een net afgestudeerd ensemble van het conservatorium. Het restaurant is gehuurd en de menu’s zijn klaargemaakt. De bruidstaart is gemaakt in de vorm van twee dansende zwanen. En heeft een champagne-truffelvulling. Mijn geloften heb ik uitgeschreven met vulpen op een perkament. En mijn bruid. Mijn bruid die.“

Hij valt ineens stil. Ik zie een glinstering in de ooghoeken van zijn ogen. “Tranen?” denk ik. Ik onderbreek zijn stilte niet. Ik geef hem de tijd om zijn woorden te hervinden. “Ik werd vanmorgen wakker naast haar. Ze was al eventjes wakker en werkte in bed aan haar geloften. Toen ik wakker werd keek zij mij aan en ik zag onverschilligheid in haar ogen. Op haar briefje stond: Ik ben voor je gevallen op straat. Ik zag jouw blauwe ogen, maar de stoep zag ik te laat. Ik zag jouw witte tanden, ik werd erdoor verblind. Ik wil niet met jou trouwen en verdwijn nu met de wind. En toen stapte zij uit bed. Trok haar kleren aan en is zonder iets tegen mij te zeggen vertrokken. Onder haar kussen vond ik jouw gedichtenbundel met mijn visitekaartje als boekenlegger bij het vogelgedicht. Zodoende kwam ik op het idee om te vragen of jij misschien mijn bruid zou willen zijn.” Ik neem een slok van mijn wijn en kijk naar hem. In zijn ogen lees ik een gekwetstheid. Een droefheid. Hij houdt echt van haar, zie ik in.  Op dat moment besef ik mij dat mijn wraak al is voltrokken. Alleen door iemand anders. Ik hoef hem helemaal niet meer te vernederen. Want waarom zit hij hier tegenover mij? Blijkbaar heeft hij niemand anders. Ik, een vrouw die 15 jaar geleden opbiechtte verliefd op hem te zijn, is kennelijk de dichtstbijzijnde ervaring die hij heeft gekend wat de liefde betreft. Maar ik ben destijds opgestaan van de vloer. Ik heb mijn ogen weer opengedaan en heb keihard gewerkt aan mijzelf en mijn vertrouwen in de liefde herwonnen. Ik waardeer mijzelf nu. Ik houd van mij. Maar hij. Hij heeft zijn ogen nooit open gehad. Ik zie hoe het spiertje in zijn gezicht onophoudelijk trilt. Ik zie de tranen in zijn ogen. Ik heb medelijden met hem. Ik strek mijn hand naar de zijne uit en streel kort zijn vingers. Dan leg ik mijn hand in zijn gezicht en veeg zijn tranen weg. “Ik kan niet met je trouwen. Ik ken je niet eens. Dat begrijp je toch wel?” Zeg ik tegen hem. “Je zult de bruiloft moeten afzeggen. Kan ik iets doen om je hierbij te helpen?” Bied ik hem aan. Hij kijkt mij aan en knikt. Hij brengt het glas wijn aan zijn lippen en kloekt in een keer de hele inhoud naar binnen. Dan staat hij op en knikt nog een keer naar mij. Hij ziet er verslagen uit. Alle arrogantie, blikkerige witte tandengladheid en zelfvoldaanheid is verdwenen. Het is gewoon een man. Eenzaam en niet erin geslaagd te ontdekken wat liefde eigenlijk is. De liefde is voor hem nog altijd die onbetrouwbare, wispelturige feeks. Hij draait zich om en loopt zonder iets te zeggen mijn voordeur uit. Ik houd hem niet tegen. Ik vraag mij af of ik ooit nog iets van hem zal horen. Ik vermoed van niet. Ik staar naar mijn eigen glas witte wijn. Ik graai naar mijn notitieboekje en pen die in mijn fruitschaal liggen. En begin te schrijven aan een nieuw gedicht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *