De nacht is groen.

Wat was dat?!  Ik knipper sloom met mijn ogen, maar zie geen verschil tussen ogen dicht en ogen open. Traag wen ik aan het donker. Groenig licht schemert tussen de spleet van mijn donkerblauw fluwelen gordijnen. Ik heb mijn ogen dus open, besef ik mij. Flarden van droombeelden flitsen voorbij. De binnenkant van een oud en griezelachtig huis. Verrotte planken vloeren en schimmel op de muren. Een veeg mist, midden in de kamer. Een haveloze kat die langs mijn benen schiet en verdwijnt. En groenig licht. Maar dat licht komt niet voort uit mijn droom. Of toch wel? Waarschijnlijk is het beide. De droom vervaagt maar het groene schemerlicht blijft. De buitenwereld ziet er surrealistisch en spookachtig uit. Er hangt een sfeer van slechte horrorfilms en buitenaardse wezens die, …  “SSKKRIEIIEIEIIIEAIEVVSSTSSTSSSIEKS” Onmiddellijk komen mijn haartjes overeind. Gevolgd door een klammig koud gevoel. ‘Wat was dat?!’ Krassende nagels over een schoolbord? Een mes kervend over een glazen fles? En nu hoor ik een heel zacht tikken. Ik voel mijn hart kloppen. Sneller dan normaal. Mijn gezicht voelt koud aan. Ongemerkt heb ik mijn adem ingehouden. Maar nu zuigen mijn longen zich onregelmatig vol met nieuwe zuurstof. Ik onderdruk de neiging onder mijn dekbed te duiken. Als een klein meisje met haar knuffel. Het dekbed als schild gebruikend waar enge monsters en griezelige spoken op afketsen. Het dekbed als ultieme schuilplaats. Het veilige gevoel van onzichtbaar te zijn. Je kunt niet worden opgegeten wanneer de monsterachtige ogen je niet zien. De half afgevallen etterende neus je niet kan ruiken. En magere witte handen met lange krullerige vieze nagels je niet kunnen voelen.

Ik ben alleen. Niemand anders die mij beschermd. Op mijn wekker staan de cijfers 2:43. Ik strek mijn arm uit om het licht aan te doen. Het knopje maakt een schel ‘peppit’ geluid. Het zachte witte licht vermengd zich met het groene. Terwijl het lampje steeds iets feller gaat schijnen verdwijnt het griezelige horrorsfeertje uit de kamer. Ik stap uit bed en trek snel mijn badjas aan. Het is koud en ik huiver. Ik kijk de gang door maar zie niets bijzonders. Mijn kamer is niet groot. Er past zelfs geen kast in waar een monster zich kan schuilhouden. Er is geen ‘onder mijn bed’ ik slaap in een boxspring.  Ik schuif de zware fluwelen gordijnen opzij en kijk erachter. Ik zie mijn eigen kamer weerspiegeld in mijn raam. Ik sta vooraan maar kijk snel weg. Mijn fantasie neemt een loopje met mij en spiegelt een donkere schaduw achter mijn schouder. Stomme angsten! Er is niets, houd ik mij voor.

“IEIEIEIESIEKCHIEIEIEIESKRGRIECG!” Het geluid is vlakbij. Het komt van recht voor mij. Het raam dus. Ik zie niets op het raam. Alleen mijn eigen kamer spiegelt erin. Wat het ook is, het komt vanaf de buitenkant. Met drie stappen sta ik bij mijn lamp en klik op de lichtschakelaar. “Peppit” en het licht in mijn kamer is uit. Ik adem diep in om moed in te zamelen. Dan draai ik mij om en loop langzaam terug naar het donkere raam. De buitenwereld gloeit groenig. De hele straat is voorzien van nieuwe straatverlichting. Groene lampen. Hoe verzin je het? Groen licht wordt slechter gezien door wild, zegt men. Dat schijnt onderzocht te zijn. Het zal wel, ik vind het er doodeng uitzien. Mijn zintuigen staan op scherp. Al met al verwacht ik een hard geluid. Een klap op het raam door een halfvergane zombie. Of een zwerm vleermuizen dat zich tegen mijn raam te pletter vliegt. Ik ervaar het gevoel van klotsende oksels. Dat bestaat dus echt. Mijn ogen zijn nu gewend aan het duister. Mijn blik glijdt over het raam. Ik begin onder en volg het glas naar boven. “tik, tik, tik”… Daar! Nu zie ik het. Daar zit de gruwel die mij met zijn Freddy Krüger geluiden uit mijn slaap houdt. Ik zie een glinsterend, slijmerig spoor. Aan het einde van het spoor begint een grijzig week lichaampje van een…

Slak. Een slak! Wat stom! Zijn huisje is topzwaar en hangt schuin naar links. Op dat moment begint de slak zich weer verder naar boven te bewegen. Terwijl het huisje langs mijn raam schraapt hoor ik weer dat hoge, krassende “IEIEIEIERCHSIES”. Ongelofelijk, wat suf. Geen zombies, geen zwerm vleermuizen, aliens of andere horrors. Ik trek mijn gordijnen weer dicht en sluit het groene licht buiten. Ik kruip weer onder mijn dekens die gelukkig nog een beetje warm zijn. Ik zucht nog een keer: “Een slak!” en schud mijn hoofd. Terwijl ik mijn hoofd op het kussenloze matras leg en lekker ga liggen, bedenk ik mij dat ik een kat wil. Een kat of een vriendje.  Ik sluit mijn ogen. Het zal wel een kat worden. Die zijn een stuk makkelijker te vinden. Een paar momenten later voel ik de haveloze kat uit mijn droom van zonet weer langs mijn benen schieten. Nu de kamer in, in plaats van eruit. Grote gele ogen kijken mij aan. Het spookhuis waar ik mij in bevind valt eigenlijk ook best mee. Ik zou zelf voor een ander behangetje hebben gekozen, maar de kat des huizes is eigenlijk helemaal niet zo eng. Zou hij slakken vangen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *